Aan de rand van een groot, stil meer woonde een verlegen schildpad. Zijn naam was Timo. Timo hield van de rust en de stilte om hem heen. Hij zat vaak op een steen, met zijn pootjes in het water. Het water was helder en blauw, en soms zag hij vissen zwemmen. Timo vond het fijn om naar de vissen te kijken. Ze waren snel en vrolijk.
Op een dag, terwijl hij op zijn steen zat, zag hij Wout en Saar. Ze waren aan het spelen aan de rand van het meer. Wout gooide steentjes in het water en Saar lachte elke keer als er spetters omhoog kwamen. Timo vond het leuk om naar hen te kijken, maar hij was te verlegen om hen te groeten.
Wout zei: "Kijk Saar, ik kan een grote plons maken!" Hij gooide een grote steen in het water en er kwam een enorme spetter omhoog. Saar klapte in haar handen van blijdschap.
Timo dacht na over wat dromen zijn. Dromen zijn als sterren aan de hemel, dacht hij. Soms zie je ze niet, maar ze zijn er altijd. Hij vroeg zich af waar dromen naartoe gaan als je wakker bent.
Die avond, toen de zon onderging en de lucht roze kleurde, besloot Timo op reis te gaan naar het dromenland. Hij wilde weten waar dromen vandaan komen en hoe ze eruitzien.
Timo kroop langzaam van zijn steen af en begon te lopen langs de rand van het meer. De maan kwam op en gaf licht op het water. Het leek wel alsof het meer glinsterde als sterren in de lucht.
Terwijl hij liep, zag hij Wout en Saar weer zitten bij een kampvuur. Ze maakten marshmallows warm boven het vuur en lachten samen. Timo voelde zich weer verlegen, maar hij bleef kijken.
"Wat is dat voor een mooi licht?" vroeg Wout terwijl hij naar de maan wees.
"Dat is de maan," zei Saar met glanzende ogen. "Ze kijkt naar ons terwijl we spelen."
Timo dacht dat dit misschien ook iets met dromen te maken had. De maan kijkt naar ons terwijl we slapen en dromen hebben.
Na een tijdje lopen kwam Timo bij een plek waar veel bloemen groeiden. De bloemen waren kleurrijk en geurden heerlijk. Hij ging zitten tussen de bloemen en sloot zijn ogen.
"Als ik droom," dacht Timo, "wat zal ik dan zien?" Misschien zou hij vliegen als een vogel of zwemmen als een vis? Of misschien zou hij wel met Wout en Saar spelen zonder zich verlegen te voelen?
Terwijl hij daar zat met gesloten ogen, voelde Timo zich rustig worden. De geluiden van het meer waren zacht; je hoorde alleen het rimpelen van het water en af en toe een kikker die kwaakte.
Na enige tijd merkte Timo dat er iets bijzonders gebeurde. Voor hem verschenen beelden in zijn gedachten: grote bossen vol met bomen die zo hoog waren dat ze de lucht raakten; bergen die reikten tot aan de wolken; velden vol met kleurrijke bloemen die dansten in de wind.
In deze beelden zag hij ook Wout en Saar weer lachen, maar nu waren ze niet ver weg bij het kampvuur; ze waren hier bij hem in dit mooie land vol dromen! Ze renden samen door velden vol bloemen, sprongen over rivieren vol glinsterend water.
Timo voelde zich gelukkig in deze droomwereld waar alles mogelijk was. Hij kon alles doen wat hij wilde zonder bang of verlegen te zijn.
Maar na enige tijd merkte Timo dat de beelden langzaam vervaagden zoals mist die optrekt bij zonsopgang. Hij opende zijn ogen weer en keek om zich heen; alles was zoals voorheen: stilletjes aan de rand van het meer met alleen maar sterren boven hem.
Timo begreep nu dat dromen niet altijd zichtbaar zijn zoals vissen in het water of sterren aan de hemel; soms moet je gewoon even stilzitten om ze te voelen of te zien in je hoofd.
De volgende ochtend besloot Timo terug te keren naar zijn steen aan het meer. Terwijl hij daar zat met zijn pootjes weer in het water, voelde hij zich anders dan voorheen; niet zo verlegen meer maar eerder blij omdat hij wist dat dromen altijd dichtbij waren als je maar goed keek of luisterde.
Wout kwam langs met Saar hand-in-hand terwijl ze hun fietsen duwden over het pad langs het meer.
"Hallo!" riep Wout vrolijk toen hij Timo zag zitten op zijn steen.
Saar glimlachte ook: "Wat doe jij hier?"
Timo keek hen aan met een glimlachje op zijn gezicht: "Ik kijk naar jullie."
Wout knikte begrijpend: "Dat is leuk! We hebben net gefietst."
Saar zei: "Wil je meedoen? We kunnen samen fietsen!"
Timo voelde iets warms binnenin hem groeien; misschien kon dit wel eens leuk worden! Maar zelfs als hij niet mee zou doen, wist hij nu dat dromen altijd zouden blijven bestaan—of je nu alleen was of samen met vrienden zoals Wout en Saar.
En zo bleef Timo zitten aan de rand van het meer onder de sterrenhemel—een schildpad die droomde over verre landen vol kleuren terwijl alles rustig om hem heen bleef stromen zoals altijd deed bij dit mooie stille meer.