Slangen in de zoo

Casper gaat voor het eerst met zijn mama naar de zoo. Ze wandelen naar de zone waar de reptielen zitten. Casper ziet voor het eerst in zijn leven een slang en roept verheugd uit: “Kijk, mama, kijk! Daar kwispelt een staart zonder hondje!”

 

Biefstuk

  • Ober: “Hoe vond u de biefstuk, mevrouw?”
  • Mevrouw: “Per toeval, toen ik onder een blaadje sla keek.”
 

Een barst in het kopje

  • Klant: “Ober! Er zit een barst in mijn kopje!”
  • Ober: “Zo ziet u, meneer, hoe sterk onze koffie is.”
 

De postbode is moe

  • Jantje: “Dag postbode. Wat zie jij er moe uit.”
  • Postbode: “Ja, Jantje, ik ben ook altijd aan het werk, he.”
  • Jantje: “Weet je wat? Ga eens wat vroeger naar huis.”
  • Postbode: “Ja maar Jantje, kijk eens wat ik nog allemaal in mijn tas heb!”
  • Jantje: “Och, stuur het op met de post, he!”
 

De man en de visser

Een man vraagt aan een visser: “Bijten ze?”

De visser antwoordt: “Neen hoor, kom gerust wat dichterbij.”

 

Vlooien in de regen

Twee vlooien willen terugkeren naar huis na een avondje stappen. Ze zien dat het regent. De ene vlo zegt tegen de andere: “Wat doen we ermee? gaan we te voet, of nemen we de hond?”

 

Klagende kip

Piet gaat koken. Hij plukt een kip en stopt ze in de pan. Piet is echter verstrooid en vergeet het vuur aan te steken.

Na een kwartiertje klimt de kip uit de pan en komt voor Piet staan. Ze zegt: “Ofwel geef je me mijn veren terug, ofwel steek je het vuur aan! Ik bevries van de kou.”

 

Scheren

Jef vroeg aan Jos: “Waarom moet ik me ’s morgens 3 keer zo lang scheren als jou?”

Waarop Jos zei: “Omdat ik niet zo een lang gezicht trek als jij”.

 

Bijna verdronken

Liam is in de vijver gevallen. Hij dreigt te verdrinken. Een man springt er achteraan en kan hem redden.

Zodra hij op het droge is, bedankt Liam de man uitvoerig. Het is een welopgevoede jongen.

De man zegt dat het graag gedaan is en vraagt dan: “Maar zeg eens, kan jij niet zwemmen, jongen?”

Liam zegt: “Toch wel, meneer. Maar op dat bordje daar staat dat het verboden is om te zwemmen.”

 

Slechte manieren afleren

Twee onbekenden zitten in de trein. Ze raken aan de praat en blijken alle twee ondernemer te zijn. Zoals dat gaat met ondernemers, beginnen ze al snel over het gebrek aan goed personeel te klagen.

De ene zegt dat het toch zo moeilijk is om werknemers slechte manieren af te leren.

De andere antwoordt: “Daar heb ik geen problemen mee. Ik ben bakker. Een nieuwe werknemer mag bij mij zoveel snoepen als hij wil. Na een week heeft hij er zijn buik van vol en lust hij niets meer.”

De eerste zegt: “Die truuk zal bij mij helaas niet lukken. Ik ben bankier.”